Franse werkwoorden vervoegen: 144 werkwoorden en hun typische fouten
A1
- acheter kopen
- aider helpen
- aimer houden van
- aller gaan
- appeler bellen, roepen
- arriver aankomen
- avoir hebben
- boire drinken
- chercher zoeken
- choisir kiezen
- commencer beginnen
- demander vragen
- dire zeggen
- donner geven
- dormir slapen
- entrer binnengaan
- faire doen, maken
- finir beëindigen
- habiter wonen
- jouer spelen
- lire lezen
- manger eten
- mettre zetten, leggen
- parler spreken
- partir vertrekken
- penser denken
- pouvoir kunnen
- prendre nemen
- regarder kijken
- rester blijven
- savoir weten
- sortir uitgaan
- travailler werken
- trouver vinden
- venir komen
- voir zien
- vouloir willen
- écouter luisteren
- écrire schrijven
- être zijn
A2
- apprendre leren
- attendre wachten
- changer veranderen
- comprendre begrijpen
- connaître kennen
- courir rennen
- croire geloven
- descendre afdalen
- devenir worden
- devoir moeten
- entendre horen
- envoyer sturen
- espérer hopen
- essayer proberen
- expliquer uitleggen
- jeter gooien
- lever optillen
- marcher lopen
- monter stijgen
- montrer tonen
- mourir sterven
- nager zwemmen
- naître geboren worden
- offrir aanbieden
- oublier vergeten
- ouvrir openen
- payer betalen
- perdre verliezen
- porter dragen
- préférer verkiezen
- rencontrer ontmoeten
- rendre teruggeven
- rentrer naar huis gaan
- retourner terugkeren
- revenir terugkomen
- répondre antwoorden
- tenir vasthouden
- tomber vallen
- utiliser gebruiken
- vendre verkopen
- voyager reizen
- étudier studeren
B1
- apercevoir bespeuren
- apparaître verschijnen
- appartenir toebehoren
- atteindre bereiken
- battre slaan
- conduire rijden
- construire bouwen
- couvrir bedekken
- craindre vrezen
- disparaître verdwijnen
- décevoir teleurstellen
- découvrir ontdekken
- décrire beschrijven
- détruire vernietigen
- grandir groeien
- joindre verbinden
- maintenir handhaven
- mentir liegen
- obtenir verkrijgen
- paraître schijnen
- peindre schilderen
- permettre toestaan
- plaire bevallen
- produire produceren
- promettre beloven
- recevoir ontvangen
- reconnaître herkennen
- remettre overhandigen
- remplir vullen
- reprendre hervatten
- rire lachen
- réfléchir nadenken
- réussir slagen
- sentir voelen
- servir dienen
- souffrir lijden
- sourire glimlachen
- soutenir steunen
- suivre volgen
- surprendre verrassen
- traduire vertalen
- vivre leven
- éteindre uitzetten
B2
- acquérir verwerven
- conclure concluderen
- contredire tegenspreken
- convaincre overtuigen
- cueillir plukken
- entretenir onderhouden
- fuir vluchten
- haïr haten
- interdire verbieden
- parvenir erin slagen
- plaindre beklagen
- poursuivre nastreven
- prévoir voorzien
- résoudre oplossen
- survivre overleven
- séduire verleiden
- teindre verven
- vaincre overwinnen
- valoir waard zijn